Het Gerecht liet de ontvankelijkheidsvraag in het midden en ging, in het belang van een goede rechtsbedeling, rechtstreeks over tot een inhoudelijke toetsing. Hierbij verwierp het Gerecht alle middelen.
De onafhankelijkheid van het DPRC
Het Gerecht oordeelde dat de gestelde waarborgen, meer bepaald die voor de benoeming en het ontslag van DPRC-rechters, volstaan. De DPRC-rechters worden benoemd door de Attorney General op basis van objectieve criteria (kwalificaties, ervaring, onafhankelijkheid van de uitvoerende macht). Bovendien kunnen ze enkel worden ontslagen for cause (wangedrag, plichtsverzuim, onbekwaamheid), en mogen ze niet worden beïnvloed door de inlichtingendiensten bij de behandeling van klachten. Het Gerecht benadrukte dat het DPRC niet gebonden is aan de beslissingen van de Civil Liberties Protection Officer (CLPO) en zelf bindende, definitieve beslissingen kan nemen.
Met betrekking tot het vereiste van een "bij wet ingesteld" gerecht aanvaardde het Gerecht dat het DPRC niet is opgericht bij een wet van het Congres, maar wel bij een besluit van de Attorney General. Het paste de rechtspraak van het EHRM toe, met name de zaak Guðmundur Andri Ástráðsson v. IJsland waarin een drie-staps-test ontwikkeld werd, en oordeelde dat het begrip "bij wet ingesteld" ruim moet worden beoordeeld aan de hand van een overall assessment. Zo oordeelde het dat het niet alleen om de formele rechtsgrondslag gaat, maar ook om de onafhankelijkheids- en onpartijdigheidswaarborgen in hun geheel. Omdat Executive Order 14086 en de Attorney General Order voldoende structurele waarborgen bieden, concludeerde het Gerecht dat het DPRC in de praktijk gelijkwaardige bescherming biedt.
Bulkverzameling en evenredigheid
Met betrekking tot de bulkverzameling van gegevens door de inlichtingendiensten oordeelde het Gerecht dat het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke machtiging geen schending op zichzelf oplevert van de vereisten gesteld in Schrems II, onder de voorwaarde dat er sprake is van een doeltreffende ex post rechterlijke controle, die nu, volgens het Gerecht, wordt verzekerd door het DPRC.
Latombe verwees naar het arrest La Quadrature du Net, waarin het Hof van Justitie voorwaarden formuleerde voor de toegang van nationale autoriteiten tot verkeers- en locatiegegevens. Het Gerecht oordeelde echter dat deze rechtspraak niet kon worden toegepast op de voormelde zaak. Volgens het Gerecht betreft die rechtspraak namelijk de verplichtingen van lidstaten onder het Unierecht, terwijl het in casu de beoordeling van het beschermingsniveau in een derde land betreft.
Bovendien verwierp het Gerecht Latombe’s beroep op het EHRM-arrest Big Brother Watch v. Verenigd Koninkrijk. Het Gerecht erkende dat de overwegingen van het EHRM over bulkinterceptie relevant waren, maar concludeerde dat de waarborgen in Executive Order 14086, met name die over de noodzakelijkheidstoets, de evenredigheidstoets en het toezicht door het DPRC, voldeden aan de vereisten die het EHRM stelde in die zaak.
Geautomatiseerde besluitvorming en veiligheid
De twee overige middelen werden relatief kort behandeld. Latombe argumenteerde dat het adequaatheidsbesluit onvoldoende waarborgen biedt tegen geautomatiseerde besluitvorming, maar ook dit werd echter verworpen op basis van een studie uit 2018 waaruit bleek dat het gebruik van dergelijke beslissingen door DPF-organisaties beperkt was (zie bv. Sectie 1.8 EU - U.S. Privacy Shield – 2nd Annual Joint Review). Het Gerecht oordeelde dat Latombe niet had aangetoond dat de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie (KI) die bevinding had achterhaald.
Het beveiligingsmiddel dat Latombe opwierp, waarbij hij stelde dat de DPF-beginselen "consultatie" van persoonsgegevens niet dekken, werd ook verworpen door de terminologie van het adequaatheidsbesluit ruim te interpreteren. De termen "use" en "maintain" omvatten volgens het Gerecht ook raadpleging, aangezien men eerst toegang moet hebben tot gegevens om ze te kunnen gebruiken.