Deze zomer lanceert het Kenniscentrum Data & Maatschappij een blogserie waarin rechtenstudenten van de KU Leuven recente rechtszaken op het gebied van gegevensbescherming onder de loep nemen. In hun bijdragen analyseren ze belangrijke ontwikkelingen, belichten ze wat er op het spel staat en delen ze hun eigen visie op hoe de wetgeving zich ontwikkelt.
In deze blogpost duikt Kristie Nkenné Conings dieper in op de Storstockholms Lokaltrafik (SL) zaak, die betrekking heeft op het gebruik van bodycams door kaartjescontroleurs in dienst van SL, de openbaarvervoersmaatschappij in Stockholm, Zweden.
Inleiding
Doorheen Europa trekken medewerkers in het openbaar vervoer al jaren aan de alarmbel: agressie, bedreigingen en onveilige werkomstandigheden zijn voor velen dagelijkse realiteit. Bodycams worden daarom steeds vaker voorgesteld als een logische oplossing.
Een camera op het uniform kan afschrikken en achteraf duidelijk bewijsmateriaal opleveren. Eenvoudig, toch? Niet helemaal. Zodra de camera begint te lopen, is ook de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing.
Terwijl bodycams controleurs moeten beschermen, rijzen tegelijk vragen over hoe de privacy van reizigers wordt gewaarborgd. Welke grenzen stelt het recht aan dat gebruik? En in het bijzonder: wanneer en op welke wijze moeten reizigers worden geïnformeerd dat zij worden gefilmd?
Het waren juist deze vragen die het Hof van Justitie van de Europese Unie in december 2025 heeft behandeld in een Zweedse zaak over een openbaarvervoerbedrijf dat zijn controleurs met bodycams had uitgerust. Via een prejudiciële vraag vroeg de Zweedse hoogste administratieve rechter of in deze situatie artikel 13 AVG van toepassing is, met een onmiddellijke informatieplicht, dan wel artikel 14 AVG, dat meer flexibiliteit biedt over het tijdstip en de wijze van informeren.
Achter die ogenschijnlijk technische rechtsvraag schuilt een veel concretere kwestie: kunnen bodycams in het openbaar vervoer praktisch worden ingezet, of maakt de AVGdat in de praktijk bijzonder moeilijk?
Feiten
Storstockholms Lokaltrafik (SL), het openbaarvervoerbedrijf van Stockholm, rustte ticketcontroleurs uit met bodycams die continu beeld en geluid opnamen. De camera’s werkten met een circulair geheugen, waarbij opnames na één minuut automatisch werden gewist, tenzij de controleur op een knop drukte om de opname, inclusief de minuut voorafgaand aan dat moment, te bewaren. Het doel was geweld tegen controleurs te voorkomen en zwartrijders te identificeren.
In juni 2021 oordeelde de Zweedse privacytoezichthouder dat SL reizigers onvoldoende had geïnformeerd over deze verwerking. Omdat de bodycams zonder duidelijke waarschuwing werden ingezet, kreeg SL een boete van 16 miljoen SEK (~ 1 miljoen 450 000 EUR), waarvan 4 miljoen SEK (~ 362.400EUR) specifiek wegens schending van de informatieplicht uit artikel 13 AVG. SL ging in beroep, waarna de zaak uiteindelijk bij de Zweedse hoogste administratieve rechter belandde.
Prejudiciële vraag
De Zweedse hoogste algemene administratieve rechtbank legde het Hof van Justitie de vraag voor welk artikel van de AVG van toepassing is wanneer persoonsgegevens via bodycams worden verzameld.
In het bijzonder ging het om het onderscheid tussen artikel 13 AVG (informatieplicht bij directe verkrijging van gegevens bij de betrokkene) en artikel 14 AVG (informatie na verkrijging van een andere bron). De vraag was relevant omdat er grote verschillen bestaan in timing en inhoud van de informatie. Artikel 13 vereist immers dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene onmiddellijk bij de verkrijging van de persoonsgegevens - met andere woorden bij het opnemen - moet voorlichten over de doeleinden, de bewaartermijn, de rechten enzovoort. Artikel 14 staat daarentegen een uitstel toe. Het beantwoorden van deze vraag was van essentieel belang om te kunnen bepalen of de boete (voor de artikel 13-overtreding) terecht was. SL betwistte dat artikel 13 van toepassing is bij bodycams, maar de toezichthouder stelde dat dit wel degelijk het geval was.
Advies Advocaat-Generaal en uitspraak Hof van Justitie
Advocaat-Generaal Medina concludeerde in haar opinie dat het gebruik van bodycams leidt tot een rechtstreekse verzameling van persoonsgegevens, wat betekent dat artikel 13 AVG van toepassing is. Volgens haar vereist het criterium dat gegevens “bij de betrokkene worden verkregen” geen actieve medewerking van die persoon. Beslissend is dat de gegevens rechtstreeks van de betrokkene afkomstig zijn, zonder tussenkomst van een derde. Bij bodycams is dat evident het geval. Medina verwees daarbij ook naar de transparantierichtsnoeren van de Artikel 29-werkgroep, die cameratoezicht in dezelfde richting benaderen.
Het Hof van Justitie volgde deze redenering. In zijn arrest van 18 december 2025 bevestigde het Hof dat het onderscheid tussen artikel 13 en 14 AVG afhangt van de wijze waarop de persoonsgegevens worden verkregen: wanneer persoonsgegevens rechtstreeks bij de betrokkene worden verzameld, is artikel 13 AVG van toepassing; worden zij via een andere bron verkregen, dan geldt artikel 14 AVG. Bij het gebruik van bodycams is van zo’n derde bron geen sprake, aangezien de persoonsgegevens rechtstreeks bij de gefilmde persoon worden verzameld op het moment van de opname.
Tegelijk erkende het Hof dat een onmiddellijke en volledige informatieverstrekking in de praktijk niet altijd haalbaar is. Het bevestigde daarom, in lijn met de richtsnoeren van de European Data Protection Board, dat een gelaagde informatiebenadering volstaat: eerst de verstrekking van essentiële informatie via een zichtbare eerste laag, gevolgd door het verschaffen van meer gedetailleerde informatie via een tweede kanaal, zoals een website of QR-code.
Analyse
Het arrest brengt in de eerste plaats welkome rechtszekerheid. Zowel Advocaat-Generaal Medina als het Hof vertrekken niet louter vanuit een tekstuele lezing van artikel 13 en 14 AVG, maar hanteren duidelijk een teleologische benadering: de interpretatie wordt gestuurd door het fundamentele doel van de AVG, namelijk het waarborgen van een hoog beschermingsniveau voor persoonsgegevens en, ruimer, de bescherming van de grondrechten van de betrokkenen. Vanuit deze optiek is de redenering coherent: wanneer persoonsgegevens rechtstreeks bij een betrokkene worden verzameld via een bodycam, zou het moeilijk te rechtvaardigen zijn om die persoon pas in een later stadium te informeren.
Dit zou immers afbreuk doen aan het transparantiebeginsel en een toegangspoort vormen voor verborgen surveillance. Juist daarom is deze benadering overtuigend, omdat zij de door de AVG beoogde bescherming in een concrete context effectief maakt.
Tegelijk zorgt het arrest ook voor broodnodige duidelijkheid over een vraag die sinds het Ryneš-arrest in zekere mate open bleef. In dat arrest had het Hof zich wel uitgesproken over cameratoezicht en de plaats van gerechtvaardigde belangen binnen het gegevensbeschermingskader, maar niet expliciet over het onderscheid tussen de equivalenten van de huidige artikelen 13 en 14 AVG. Met dit arrest trekt het Hof die lijn eindelijk scherp: het onderscheid hangt af van de wijze waarop persoonsgegevens worden verkregen. Worden ze rechtstreeks bij de betrokkene verzameld, dan geldt artikel 13 AVG. Worden ze via een andere bron verkregen, dan is artikel 14 AVG van toepassing.
Voor cameratoezicht in de publieke ruimte zal daardoor in de meeste gevallen sprake zijn van een rechtstreekse verzameling van persoonsgegevens. Enkel wanneer de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens niet rechtstreeks verzamelt, maar deze via een derde verkrijgt - bijvoorbeeld wanneer beeldmateriaal door een andere partij wordt opgenomen en later wordt overgemaakt - lijkt artikel 14 nog in beeld te komen. Deze duidelijkheid verhoogt de voorspelbaarheid van het recht aanzienlijk.
Toch heeft die duidelijkheid een prijs. Door bodycams categorisch onder artikel 13 AVG te plaatsen, sluit het Hof een belangrijk deel van de flexibiliteit uit die de AVG nét probeert te behouden. Opmerkelijk is daarbij dat het Hof de rigiditeit probeert te verzachten door te verwijzen naar de door de EDPB aanbevolen gelaagde informatiebenadering. Dat is pragmatisch en toont dat het Hof het veiligheidsbelang van openbaarvervoerpersoneel niet volledig negeert. Toch roept die oplossing vragen op. De AVG is immers opgebouwd rond contextgevoelige afwegingen, waarbij verwerkingsverantwoordelijken binnen bepaalde grenzen zelf een passende manier moeten vinden om de rechten van betrokkenen te waarborgen, eerder dan uniforme oplossingen toe te passen. Door meteen een quasi-standaardoplossing naar voren te schuiven, dreigt die beoordelingsruimte te worden ingeperkt.
Bovendien rijst de vraag hoe effectief die oplossing in de praktijk werkelijk is. Het openbaar vervoer is een dynamische omgeving waarin reizigers zich snel verplaatsen, signalen gemakkelijk missen en niet noodzakelijk tijd of mogelijkheid hebben om bijkomende informatie via een QR-code of website te raadplegen. In een tijd van informatiemoeheid is het bovendien twijfelachtig of zulke kennisgevingen daadwerkelijk bijdragen aan reële transparantie.
Nog opvallender is dat het Hof nauwelijks ingaat op de specifieke technische werking van deze bodycams. In casu ging het om camera’s met een bufferfunctie waarbij beeld- en geluidsmateriaal automatisch na één minuut werd gewist, tenzij de controleur actief besliste de opname te bewaren. Dat nuanceert de privacy-impact aanzienlijk: het systeem is niet ontworpen voor permanente bewaring, maar voor incidentgestuurde registratie. Precies in zo’n context had een meer genuanceerde reflectie over de flexibiliteit van artikel 14 AVG niet misstaan, met name artikel 14, lid 5 AVG, dat uitzonderingen voorziet wanneer informatieverstrekking onmogelijk blijkt of de verwezenlijking van de verwerkingsdoeleinden ernstig in het gedrang brengt, mits er passende waarborgen zijn voor betrokkenen.
Conclusie
Het Hof kiest voor rechtszekerheid en maximale transparantie, maar doet dat ten koste van de flexibiliteit die de AVG in beginsel biedt. Achter de juridisch-technische discussie over artikel 13, dan wel artikel 14 AVG, schuilt immers een veel bredere realiteit: hoeverzoen je gegevensbescherming met de legitieme behoefte aan veiligheid in eenpublieke ruimte waar agressie tegen personeel allang geen uitzondering meer is?
Het Hof maakt die afweging, maar op een manier die weinig ruimte laat voor een contextgevoelige beoordeling. Nochtans is de AVG juist opgebouwd rond het idee dat verwerkingsverantwoordelijken, binnen duidelijke grenzen, zelf belangen tegen elkaar afwegen. Door bodycams categorisch onder artikel 13 te brengen en die strikte lijn pas nadien pragmatisch te verzachten via de gelaagde informatiebenadering, kiest het Hof voor een uniforme oplossing waar ook een meer genuanceerde aanpak denkbaar was. Dat versterkt de juridische voorspelbaarheid, maar maakt het arrest minder overtuigend in een context waar reële belangen op het spel staan aan beide kanten van de camera.
Auteur
Kristie Nkenné Conings is student aan de KU Leuven en de Universiteit van Zürich, waar ze de Double Degree Master of Law volgt en zich verdiept in internationaal en Europees recht. Binnen het gegevensbeschermingsrecht gaat haar interesse in het bijzonder uit naar het spanningsveld tussen technologische innovatie en de bescherming van persoonsgegevens en fundamentele rechten.
Over
Disclaimer: Het Kenniscentrum Data & Maatschappij is niet verantwoordelijk voor de inhoud van gastbijdrages en zal dan ook niet corresponderen over de inhoud. Bij vragen, opmerkingen of zorgen: neem contact op met de auteur(s)!