Nog een opvallend element is de invulling van het begrip “verkoop” in artikel 13, lid 2 van de e-Privacyrichtlijn. Het klinkt logisch dat een verkoop gelinkt wordt aan een prijs die door klanten wordt betaald. Echter kijkt het Hof in deze zaak verder dan verwacht en stelt het dat ook een gratis account onder “verkoop” kan vallen wanneer deze deel uitmaakt van een commercieel model waarin de kosten worden gedragen door de reeds betalende klanten of de mogelijke toekomstige omzet die tot stand kan komen via een latere omzetting naar een betaald abonnement.
Dit is een economische benadering die nauw aansluit bij hoe dergelijke freemium-modellen in elkaar zitten. Het gratis account is geen pure liefdadigheid, maar is de bewuste keuze en investering om gebruikers te laten toestromen bij een betaald abonnement. Sommigen spreken hier over een erkenning van de “soft opt-in” voor gratis accounts. Deze soft opt-in-uitzondering (artikel 13, lid 2 e-Privacy-richtlijn) staat toe om zonder een voorafgaande toestemming te mailen, wanneer voldaan is aan bepaalde voorwaarden. Dit is positief voor veel bedrijven, dat zij zich dus op artikel 13, lid 2 kunnen beroepen.
Ter verduidelijking: artikel 13 lid 1 e-Privacyrichtlijn bevat een algemeen verbod op het versturen van elektronische berichten voor “direct marketing” zonder een toestemming vooraf. Maar voorziet in lid 2 in een belangrijke uitzondering.
Door te erkennen dat een gratis account (gebruikt bij freemium-modellen) kan gelden als een indirecte betaalde dienst, wordt de mogelijkheid door het Hof van Justitie gegeven voor het versturen van ongevraagde nieuwsbrieven zonder enige voorafgaande toestemming. Als de voorwaarden uit artikel 13, lid 2 ePrivacyrichtlijn zijn voldaan, vallen deze e-mails namelijk onder de uitzondering op het spamverbod en is een verwerkingsgrond i.v.m. de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) niet meer noodzakelijk.